| | 
Over de componisten
'It is a striking fact that at least half of the dozen most important American composers of the twentieth century were gay.', aldus de muziekpublicist Paul Varnell. Waar het de zogeheten 'Golden Age' van de Amerikaanse muziek betreft, is het zo: Charles Griffes, Samuel Barber, Aaron Copland, David Diamond, Virgil Thomson, Gian Carlo Menotti, allemaal leverden ze in de periode 1935-55 muziek af bij Amerikaanse uitgevers die de tand des tijds heeft doorstaan. Allemaal waren ze 'gay'.
Veel belangrijker is het feit dat het de generatie van Barber, Copland en Bernstein is gelukt de ontwaking van de Amerikaanse muziek gestalte te geven. Amerikaanse muziek kreeg een eigen identiteit, naast de dominante Europese kunstmuziek. En niet alleen de muziek, ook de musici. Bernstein was de eerste grote dirigent van de New York Philharmonic die geboren en getogen was in Amerika. 'Lenny' was ook de eerste Amerikaan, die met zijn verbluffende uitvoeringen het publiek van Wenen aan zijn voeten kreeg.
Een belangrijke voedingsbodem voor de Amerikaanse muziek was Parijs. Zoals de Franse Revolutie ook een voedingsbodem was voor de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd. Copland en Thomson studeerde in Parijs bij de befaamde 'componistenkweekster' Nadia Boulanger. Mede door de invloed van deze leraren, trok hun leerling Ned Rorem op zijn beurt eveneens naar Parijs.
De wisselwerking tussen Amerika en Europa komt op deze cd het duidelijkst naar voren in de vruchtbare relatie tussen Barber en Menotti. De ontmoeting van Barber en Menotti in 1928 (in Philadelphia) vormde de opmaat tot een muzikale legende, vergelijkbaar met die van het Engelse duo Benjamin Britten en de tenor Peter Pears. Een lange verbintenis was geboren. Menotti schatte de achttienjarige ‘Sam’ op het eerste gezicht in als een verwende, knappe jongeman, vertelde hij later, maar de licht ontvlambare Italiaan en de meer gereserveerde Barber vulden elkaar perfect aan. Samen studeerden Barber en Menotti aan het Curtis Institute of Music, samen deelden ze hun passie voor het vak en voor elkaar en vierden ze grote successen. Menotti schreef libretti voor twee van Barbers opera’s. Hun opera Vanessa uit 1958 had het meeste succes. Menotti wist een première in de Metropolitan Opera in New York City te regelen, waarna Barber de Pulitzer Prize ontving. In het libretto verstopte Menotti Barbers persoonlijke voorkeuren, zoals zin voor lekker eten en wijn, diens voorliefde voor het winterseizoen en schaatsen en het toneelstuk De Kersentuin van Tsjechov. In feite is Vanessa een Amerikaanse variant op de opera Der Rosenkavalier van Richard Strauss, eveneens een lievelingswerk van Barber. Van 1943 tot 1973 woonden Barber en Menotti samen in een groot L-vormig landhuis ten noorden van New York. In grootse en meeslepende operastijl verhuisde Menotti naar Schotland toen een breuk onvermijdelijk bleek. Ned Rorem verdeelt tegenwoordig zijn tijd tussen New York City en Nantucket. Hij is schrijver van dagboeken, romans en essays en maakte als componist furore met meer dan 250 liederen. In 1944 verhuisde hij naar de staat New York, waar hij in Philadelphia onder andere les kreeg van Rosario Scalero bij wie ook Barber en Menotti studeerden. Aan de Juilliard School of Music in New York studeerde hij bij de Nederlandse componist Bernard Wagenaar, een naar Amerika geëmigreerde studiegenoot van Willem Pijper. In de zomer van 1946 werd Rorem op het ook nu nog florerende Berkshire Music Center in Tanglewood aangenomen in de compositieklas van Aaron Copland. Rorem leefde tijdelijk in Marokko (1949-51) en vervolgens in Parijs (1951-57), waar hij een bohémien bestaan leidde, dat is vastgelegd in zijn lijvige dagboeken.
Hoe springlevend de Amerikaanse muziek is, bewijst Jake Heggie, geboren in Florida en opgegroeid in Ohio en Californië. De sinds 1993 in San Francisco gevestigde pianist en componist van bijna tweehonderd liederen, maar ook van opera’s, concerten, orkestwerken en kamermuziek, is in Nederland nog vrijwel onbekend.
(Tekst: Huib Ramaer)
| | |