Home Henriette Feith - Soprano, Maurice Lammerts van Bueren - Piano

en


Over de liederen


Jake Heggie’s stijl van componeren, zoals die zich in de hier opgenomen liederen openbaart, is heel verfijnd.

In Listen verbeeldt hij de slang met kronkelende vocalises, of schildert hij het exotische van het dier met hoge pianoloopjes in parallele kwarten. De overwegend zachte dynamiek dwingt je bovendien tot luisteren naar Listen. Een jazzy bas vormt de basis van Snake waardoor de zangeres lekker vrij kan timen. De baslijn komt hoog in de piano terecht bij Very few things are as visible as I am when I’m clean. Hier komt de aap uit de mouw: of het nou een slang is, iemand anders, of je bent het zelf: figuren die zich zichtbaar opstellen, willen gezien worden. De vraag is alleen waarom? Om je een loer te draaien, om je te verleiden, of te vermoorden? De enige manier om er achter te komen is: erop af, met alle risico’s van dien...

Indian Summer-Blue met zijn boogiewoogie loopjes onder een lyrische zanglijn had van de eerste tot het laatste woord en van de eerste tot de laatste noot, alleen maar in Amerika kunnen ontstaan. Welke Europeaan laat er nou in zo’n kunstzinnig lied een Chevrolet met stuurbekrachtiging rondrijden? Het lijkt wel een scčne uit een film met James Dean. Toch zijn Blauwbaard, waar Bartók een opera op baseerde, en de Schone Slaapster, waar Tsjaikovsky een ballet op componeerde, typisch Europese sprookjesfiguren. De jeugdige vrijheid achter het stuur maakt plaats voor de echtelijke dwangbuis van Blauwbaard. De verveling van de vrouw van Blauwbaard vindt uitdrukking in allerminst saaie lange noten en een trager tempo. In het derde couplet voert Heggie eerst de spanning op door de zang te laten stijgen, waarop hij heel slim even terugkeert naar de boogie-bas, die dan meteen een introductie is op het dubbelzinnige gebruik van het woord blauw in de volgende strofe, waarin Blauwbaard nu vertaald wordt en afgekort tot blue, een verwijzing naar de blues.

Al is de hier gekozen volgorde van deze vier liederen niet van Heggie zelf, het thema van het voorafgaande lied Snake sluit er perfect op aan. Moeder zei het immers al, en eigenlijk bedoelde ze hetzelfde als de slang in Snake: het kan gevaarlijk zijn om nieuwsgierig te zijn en ervaring op te doen, maar wie het er niet op waagt, wint nooit. De titel van deze cd verwijst naar de slotregel Mama says Curiosity killed..... the Cat may well undo me en nodigt u uit hetzelfde ‘risico’ te nemen met dit relatief onbekende repertoire.

Origineel en wederom erg subtiel, is Heggie’s keuze om in What lips my lips have kissed de cello bij de eerste gezongen woorden hoger dan de zangeres te laten spelen. Korte streekjes verbeelden het getap van regendruppels die als geesten tegen het glas vliegen. Ze vinden een echo in de pizzicati bij de daarop volgende hartenpijn. Prachtig is de hoge flageolet bij de eenzame boom in de winter. Net als de geliefde in de herfst van zijn of haar leven, is de boom vergeten welke vogeltjes (minnaars) er op zijn schouders kwetterden in de lente. Toch voelt hij de pijn van het gemis in zijn zwijgzame takken. De cello zwijgt hier even, maar mag het lied tenslotte vrijwel alleen uitluiden. Uiteindelijk blijkt de keuze voor het warmbloedige strijkinstrument perfect te passen bij de inhoud van dit lied: een melancholieke mijmering over de vergane glorie van een vergrijzend leven op z’n retour.

Zijn leven lang bleef Samuel Barber verknocht aan poëzie. Er lagen altijd wel een of twee dichtbundels op zijn nachtkastje. Wellicht viel zijn oog lezend in bed op de schaars verlichte lobby van een hotel, zoals James Joyce die schetst in de Ithaka Episode uit het associatieve klankproza van zijn Ulysses. Drie woorden zetten de toon in Solitary Hotel: herfst, schemer, haardvuur...

Barber legt er een soepel dansritme onder, de zangeres voert ons mee. Joyce voert een jonge vrouw ten tonele, maar niet zonder ons eerst te laten kennismaken met een stille getuige in een donkere hoek. Een jongeman, die de vrouw mogelijk net zo nieuwsgierig observeert als wij. Wat gaat er in haar om? Ze is rusteloos, blijft niet zitten, staart uit het raam. Subtiel volgt Barber haar in zijn muziek, leeft met haar mee, bezingt haar charmes. Wacht ze op iemand, heeft ze zojuist iemand verlaten, is ze op de vlucht? Ze schrijft iets op. Aan wie? Plotseling verbreekt de piano de romantische sfeer. Ze haast zich naar buiten. De tijd staat even stil. De jongeman komt uit z’n stoel. Hij leest iets. Wat?, vraagt de sopraan (is niet een typisch sopraan-lied) zich vertwijfeld af. Een typisch Joyce-grapje schuilt in het inslikken van de helft van het woord. Ho(zonder -tel) wekt associaties met: ‘Who can tell?’. Zingen op Joyce is geen kunst voor de massa, daarvan was Barber zich terdege bewust toen hij zei: ‘art is the after-dinner mint of the rich.’

Beierende klokken in de piano begeleiden de roep om mededogen van een onverbeterlijk zondaar in het eerste lied van de Hermit Songs. Uit eerbied voor de Zoon des Heren talmt de beweging even bij ‘O only begotten Son.’ Teleurgesteld in de vrouwen zoekt een man in Church Bell at Night troost bij een kerkklok. De komst van Christus ‘in the form of a Baby’, wordt plastisch uitgebeeld in het Marialied St. Ita’s Vision. Hartstocht wisselt zich af met een teer wiegenlied, waarna Barber de lyriek versterkt met fraaie omspelingen in de piano. Speels, geestig en aanstekelijk met uitbundige soli is het hemelse drinklied The Heavenly Banquet (ook hier neemt Barber even tempo terug bij Jezus). The Crucifixion toont mededogen met het verdriet van Maria. Het begin lijkt even op Ravels Oiseaux tristes voor piano. In het even puntige als stormachtig swingende lied Sea-Snatch beklaagt een zeeman de kracht waarmee wind en onweer houten scheepjes met man en muis de diepte in jagen.

Promiscuity is een puntdicht over ontrouw. Een hoogtepunt van subtiliteit binnen de cyclus is het aandoenlijke The Monk and his Cat, waarin een studerende monnik zich spiegelt aan zijn kat Pangur. Kleine kattenpootjes stappen over de toetsen en Barber laat horen dat de studie minder snelheid vergt dan de muizenjacht. Grote intervalsprongen bepalen de sprankelende jubel in The Praises of God. In The Desire for Hermitage bezingt een kluizenaar tenslotte de eenzaamheid ‘in a little cell’ waar je je zowel een grafkist als een kerker bij kunt voorstellen. Verstild luiden de laatste regels het werk uit met de essentie van het leven.

Ned Rorem laat de zang in Nightingale met voorslagen en meerdere noten per lettergreep niet alleen het gebalts van een nachtegaal nabootsen, de dansante muziek roept tevens oude tijden in herinnering waarin musici op blokfluiten zich vaak trachtten te meten met de nachtegaal. De nachtegaal dient als metafoor voor een geliefde. Degene die aan het woord is lijkt door zijn vrouw te zijn verlaten. Het leuke van de slotzin is dat Yet ye know not whom I mean ook op die vrouw kan slaan: mijn liefde was waarachtig, jou alleen had ik lief, maar je beantwoordde mijn liefde niet, je weet niet wie ik bedoel, oftewel: mens, je kent jezelf niet!

In Rain in Spring verkiest de dichter Paul Goodman eveneens de natuur boven de menselijke liefde. Het heldere en verfrissende van de regen die de lente aankondigt, wordt door Rorem naar muziek vertaald met Satie-achtig pianospel. De klanken worden voller en romantischer, met een mooie baslijn, wanneer de tekst naar liefdesverlangen verwijst.

In I am Rose kiest Rorem voor de speelse eenvoud waar de tekst van Gertrude Stein om vraagt. Met gevoel voor humor gaf hij het woord ‘sing’ de hoogste noot.

Veel uitgebreider is See how they love me op een prachtige tekst van Howard Moss. Afwijzing en de pijn waartoe de liefde leidt, worden in dit lied in wiegende maat afgezet tegen de eenvoudige overgave waarmee bladeren, grassprieten, de zee en het zwerk, van eeuwige onvoorwaardelijke liefde getuigen. Kijk toch eens, zij kunnen het veel beter dan wij, neem er een voorbeeld aan! Of het lied zich aan een geliefde richt of aan de liefde zelf, blijft open.

Het fraaie gedragen lied The Eternal Prisoner van Gian Carlo Menotti lijkt als mijmering over ons hart symbool te staan voor Menotti’s ontembare lust zich telkens weer opnieuw in het avontuur van het leven te storten.

In The Idle Gift wordt vilein afgerekend met een weggelopen geliefde, wiens passie bij nader inzien even onuitgesproken als bleek was.

Het stekelige woord ‘stung’ keert met ‘sting’ terug in het ontroerende lied The Longest Wait (‘sting’ kan doorn of angel maar ook wroeging betekenen). De piano barst na het eerste couplet los en nodigt in fraaie tussenspelen uit tot contemplatie. Het aangrijpende lied behandelt de mens als reddeloos verloren schipbreukeling: ‘behind me the search is halted’. Het lied balanceert tussen huivering en hunkering in het aangezicht van de dood, die als enige onze primaire behoefte aan beantwoording van liefde volledig kan inlossen.

Een langzame wals voert ons in My Ghost naar een gemoedelijk huishouden met hond en kat, waarin een geest rondwaart, even ontwapenend, hulpeloos en verlegen als E.T. in de gelijknamige film. De geest verveelt zich op aard, terwijl de hemel hem angst inboezemt. Kortom, een kritische kijk op de kerkelijke belofte dat de dood ons verlossing zou brengen. Het slot in de piano lijkt Menotti’s luchtige commentaar op pogingen van voorgangers als Liszt, om rammelende skeletten in muziek uit te beelden.

In The Swing vergelijkt Menotti onze levensloop met een partijtje schommelen, uitgebeeld met fantasierijke op en neer gaande lijnen in de piano. De zangeres onthult een moderne visie op het eeuwige heen en weer tussen hemel en aarde van de reizende ziel, zoals Goethe het al beschreef in zijn Gesang der Geistern über den Wassern (tot vier keer verklankt door Schubert). Na romantische sombere akkoorden op de regel Don’t fret. Don’t move lijken zowel het lied als het leven voor eeuwig tot stilstand te komen. Het contrast met de schommelbeweging ontneemt je de adem. Het effect getuigt van de meesterhand van Menotti. De keuze voor deze afsluiting rijmt met de bezinning op de dood in The Desire for Hermitage waarmee Barber zijn Hermit Songs eindigt. Een cyclus die Menotti waarschijnlijk kent als zijn broekzak.

De schrijver J.M. Barrie bedacht de sprookjesfiguur Peter Pan, een nooit ouder wordend zwevend jongetje zonder moeder, die de aardse kindekens meevoert naar zijn ‘Neverland’ vol zwerfkinderen, spannende piraten en indianen. De toneelversie van Barrie’s verhaal stond in 1908 al op de planken in Parijs. Leonard Bernstein werkte in 1950 mee aan de eerste musical over Peter Pan, al is musical een groot woord voor een toneelstuk met zes songs van de hand van Bernstein en toneelmuziek van Alec Wilder.

Onlangs heeft de dirigent Alexander Frey ontdekt dat lang niet alle muziek die Bernstein destijds voor Peter Pan componeerde ook daadwerkelijk is gebruikt. Een gerestaureerde versie, zoals Bernstein het bedoeld heeft, is nu pas uitgekomen (bij het label Koch: KIC 7596) en die bevat veel meer liedjes, toneel- en balletmuziek van Bernstein.

Dream with me behoort tot de zes bekende songs. Het is een echte Bernstein-classic en de moraal van het verhaal is helemaal naar het hart van de flamboyante dirigent, componist en pianist die als geen ander een nieuw publiek voor klassieke muziek heeft geworven. Als er iets was dat Bernstein duidelijk wilde maken aan de mensheid, dan was het wel dat we het ons moeten permitteren meer te dromen. Het was de droom van zijn eigen vader, ooit een eigen huis te bezitten. Zo’n burgerlijke droom was Bernstein veel te klein. In een droom kan veel meer. Zelfs de altijd verlangde, maar nooit gekuste kus! De cello trekt ons hier mee naar hoger sferen en krijgt (net als bij What lips my lips have Kissed van Heggie) een fraaie solo die de opmaat is naar de hartstochtelijke herhaling van het refrein.

(Tekst: Huib Ramaer)

 

 

Inloggen